Filter op
Terug naar overzicht

Blog: Lokaal voedsel of wereldhandel?

Lokaal voedsel heeft vele voordelen, maar is duurzaamheid er een van? Volgens Henri de Ruiter hangt het er vanaf in hoeverre lokaal voedsel aanzet tot een ander consumptiepatroon.

Lokaal voedsel is in, wereldhandel is uit. Transatlantic trade heeft sinds de geheime Transatlantic Trade and Investment Partnership (TTIP) onderhandelingen een vieze smaak, maar biologisch van de boer is daarentegen booming.

Toch laten de meeste cijfers voorlopig een ander beeld zien: het belang van de wereldhandel voor voedsel is enorm toegenomen over de laatste tientallen jaren, en zelfs de economische crisis heeft daar nauwelijks verandering in gebracht. Van alle calorieën die er jaarlijks wereldwijd geproduceerd worden, wordt een kwart internationaal getransporteerd. En van al het akkerland op aarde wordt een vijfde gebruikt om te produceren voor de export. Dat is een stuk land 2,5 keer zo groot als heel Europa. Elk jaar gebruiken we wereldwijd dus 2,5 Europa’s om voedsel te produceren voor de wereldhandel.

Stadse elite
Tegelijkertijd gaan er steeds meer stemmen op om voedsel zo lokaal mogelijk te produceren. Immers, consumenten zijn vervreemd geraakt van hun voedsel, stadskinderen weten niet meer dat melk uit een koe komt en niet uit een pak, en boeren zijn op zoek naar nieuwe verdienmodellen om minder afhankelijk te zijn van de grillen van de wereldmarkt.

En er zijn vele redenen om dit toe te juichen: wie is er niet voor betrokken consumenten, voor een florerende lokale economie en minder macht voor multinationals? Voor het gemak vergeten we dan maar even dat de drang naar “lokaal voedsel” vaak gedreven wordt door een stadse elite, waar hoogopgeleide ouders tijd en middelen hebben om hun kind naar de boerderij te nemen, en waar niet zelden de macht verschuift van multinationals naar hoogopgeleide foodies. Maar zelfs als dat waar is, dan nog hoeven we het kind niet met het badwater weg te gooien: is een verschuiving naar lokaal geproduceerd voedsel immers niet ook veel beter voor het milieu?

Transport
Ook hier wordt het snel ingewikkelder als we de cijfers eens goed bekijken. Transport, of de zogenaamde food miles zeggen namelijk weinig over de duurzaamheid van lokaal voedsel, zeker als we duurzaamheid definiëren aan de hand van broeikasgasuitstoot. En die uitstoot moet rap naar beneden willen we de ergste gevolgen van klimaatverandering beperken. We kunnen dan niet om de landbouwsector heen; geleerden zijn het er steeds meer over eens dat zonder verminderde uitstoot in de landbouwsector we de opwarming van de aarde niet onder de 2 graden – de veilig geachte grens – houden. De landbouwsector is namelijk verantwoordelijk voor zo’n 20-25% van alle broeikasgassen. Maar van deze totale broeikasgasuitstoot in de landbouwsector wordt slechts zo’n 10-15% veroorzaakt door transport. Zelfs als we transport volledig weghalen, dan nog is de impact relatief klein. Een recente studie in de Verenigde Staten laat zien dat lokaal geproduceerd voedsel hetzelfde milieueffect heeft als een “Meatless Monday”, ofwel een broeikasgas vermindering van zo’n 5%.

De paradox van lokaal voedsel
Op de vele conferenties over duurzaam voedsel die ik bezocht heb, is me iets opgevallen, wat ik inmiddels de “lokaal voedsel paradox” ben gaan noemen. In een notendop is de paradox het volgende:

“Voorstanders van lokaal voedsel geven de voorkeur aan de minst duurzame producten”

Ga maar na: we willen het liefst naar een boer waar kalfjes in de wei dartelen en waar onze kinderen lammetjes kunnen aaien. Ik ken weinig mensen die naar een lokale boer gaan om te kijken hoe het graan – waarvan de productie veel minder emissies met zich meebrengt – erbij staat, en de week erop weer terugkomen om te kijken hoeveel het graan nu weer gegroeid is. We zoeken naar ‘een stukje beleving’. Zo was ik laatst op een conferentie waar een boer benadrukte dat zijn klanten voor vers, biologisch en lokaal geproduceerd voedsel kwamen, en dat hij niet echt over CO2-emissies hoefde te beginnen – dat was niet zo interessant.

Consumenten geven om koeien in de wei, maar tegelijkertijd laat wetenschappelijk onderzoek zien dat we klimaatdoelstellingen niet kunnen halen als de wereld net zoveel (rund)vlees blijft eten. De productie van een kilo biefstuk kost minstens 30x zoveel CO2 als de productie van een kilo vleesvervanger, en de totale veehouderij neemt minstens 15% van alle broeikasgassen tot zijn rekening.
Daarom, als we lokaal voedsel als duurzaam willen verkopen, moeten we onszelf de vraag stellen in hoeverre betrokken locavores bijdragen aan een consumptieverandering richting een meer plantaardige eetpatroon. De westerse, en zeker ook de Nederlandse consumptie van vlees is te hoog om én de klimaatdoelstellingen te halen én tegelijkertijd onze medemens aan de andere kant van de wereld ook hun portie vlees te gunnen. Als lokaal voedsel niets meer is dan dezelfde hoeveelheid vlees en zuivel eten maar dan van de boer om de hoek, dan heeft het weinig met duurzaamheid te maken.

Van “op gevoel” naar “met verstand”
Hiermee zeg ik niet dat de hang naar lokaal voedsel contraproductief is. Sterker nog, ik denk juist dat lokaal voedsel zich uitstekend leent voor een beoogde gedragsverandering, en dat het al aan alle kanten gebeurt. Wie anders dan een boer of lokale slager kan je beter vertellen dat je een koe in zijn geheel kunt opeten, en dat je hiermee bijdraagt aan minder verspilling? Wie anders dan een boer met respect voor zijn eigen dieren kan consumenten leren hun stukje vlees weer te waarderen en er minder, maar met meer smaak van te eten?

Maar hiervoor moeten we toe naar een situatie waarin we naast “op gevoel” duurzaam doen, we ook “met verstand” duurzaam doen. Lokaal voedsel is bij uitstek een onderwerp waar wetenschappers en boeren, maar ook betrokken consumenten kunnen samenwerken. Wij wetenschappers hebben de neiging om naar globale cijfers te kijken, en te praten over abstracte begrippen zoals CO2-emissies en “safe operating spaces for humanity”; lokaal geproduceerd voedsel daarentegen is veel concreter en dus een veel betere manier om te praten over duurzaam eten en de dilemma’s die daarbij horen. Wetenschappers kunnen hierbij helpen door bepaalde claims in de juiste context te zetten. Te vaak hoor ik halve waarheden over duurzaam voedsel, zoals dat weilanden CO2 opnemen en dat we dus juist meer vlees moeten eten, zolang het maar grasgevoerd vlees is. Dit soort onjuistheden moeten we kunnen weerleggen, terwijl boeren en locavores wetenschappers moeten voorhouden dat duurzaam voedsel niet iets abstracts is, maar concreet en voor velen letterlijk hun broodwinning.

Laten we lokaal voedsel daarom niet zien als een duurzaam doel in zichzelf, maar bovenal als een middel om te praten over wat nu echt duurzaam eten is. Als we dat steeds meer gaan doen, dan komen we ergens.

 

foto_HenrideRuijter// Henri de Ruiter is een PhD student aan de Universiteit van Aberdeen en het James Hutton Institute in Schotland. Hij schrijft dit artikel op eigen titel. Dit artikel is een bewerkte versie van een lezing “Local food or global trade?” gegeven voor de Youth Food Movement Academy op 9 April 2016 in Edinburgh.


 

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten